8 vragen en antwoorden over de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

Over de eigen betalingen binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bestaan veel vragen en onduidelijkheden. KBO-PCOB zet de veel gestelde vragen en antwoorden op een rij.

1. Voor wie is de Wmo bedoeld?

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bestaat sinds 2015 en is bedoeld voor alle mensen die niet meer op eigen kracht zelfstandig kunnen functioneren, ook niet met behulp van familie, buren en vrienden. De Wmo verplicht de gemeente in die gevallen om bij te springen en te zorgen voor de nodige ondersteuning om zelfstandig te kunnen blijven wonen en mee te doen in de maatschappij. Dit kan onder andere in de vorm van het bieden van hulp bij het schoon en leefbaar houden van het huis, woningaanpassingen, regelen van vervoer in de regio, organiseren van dagbesteding en nog veel meer.

2. Wie voert de Wmo uit?

De gemeente voert de Wmo uit. De rijksoverheid heeft de landelijk geldende regels voor de Wmo in een wet vastgelegd en heeft daarin de gemeenten belast met de uitvoering van de Wmo. Gemeenten ontvangen hiervoor geld van de rijksoverheid. De gemeenten mogen zelf bepalen hoe zij de Wmo precies uitvoeren. Dit betekent dat er verschillen bestaan tussen de Wmo-hulp in de ene gemeente en in de andere. Wel moeten gemeenten zich houden aan de landelijke wetgeving van de rijksoverheid en aan uitspraken van de rechter over de manier waarop de Wmo-regels moeten worden toegepast.

3. Op welke wijze voert de gemeente de Wmo uit?

Er bestaan twee soorten Wmo-ondersteuning: maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen.

Een maatwerkvoorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie en vereist een persoonlijk onderzoek vooraf. Maatwerkvoorzieningen bestaan bijvoorbeeld uit vervoer in de regio – voor mensen die slecht ter been zijn en niet met het openbaar vervoer kunnen reizen – individuele begeleiding, dagbesteding op maat, woningaanpassingen als een traplift of een verhoogd toilet en ondersteuning van mantelzorgers. Bij een algemene voorziening is voorafgaand onderzoek naar persoonlijke omstandigheden niet nodig. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: een boodschappendienst, warme maaltijdverstrekking en het gebruiken van faciliteiten van buurthuizen en verenigingen.

4. Wat betaalt de ontvanger zelf voor de geboden ondersteuning?

In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III werd in 2017 afgesproken dat er een vast abonnementstarief zou komen voor huishoudens die gebruikmaken van Wmo-hulp. Uiteindelijk is het abonnementstarief pas in 2019 ingevoerd. Gemeenten mogen nu maximaal een tarief van €17,50 vragen per vier weken voor Wmo-hulp in de vorm van maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang.

Het tarief van €17,50 is een maximumtarief. Gemeenten mogen niet meer in rekening brengen, maar hebben wel mogelijkheden om lagere tarieven of nultarieven te hanteren. In de praktijk betekent dit dat er verschillen optreden per gemeente.

Voor algemene voorzieningen mag de gemeente een aparte eigen bijdrage vragen. Ook hiervoor hanteren gemeenten verschillende tarieven.

Let op!

De Nationale Ombudsman heeft in februari 2019 gewaarschuwd dat de overheid niet altijd even duidelijk uitlegt dat het abonnementstarief niet voor algemene Wmo-voorzieningen geldt, en dat gemeenten hiervoor een aparte bijdrage kunnen vragen. Ook zijn er gemeenten die bijvoorbeeld de huishoudelijke hulp als algemene voorziening aanbieden in plaats van als maatwerkvoorziening. Er zijn dus grote verschillen tussen gemeenten. Informeer daarom altijd goed bij de eigen gemeente of ondersteuning een maatwerkvoorziening of een algemene voorziening is, en wat dit betekent voor het abonnementstarief en eventuele afzonderlijke eigen bijdragen.

5. Wat verandert er volgend jaar?

Het kabinet wil vanaf 2020 een nieuwe wet invoeren waarin het Wmo-abonnement ‘definitief’ wordt geregeld; de situatie in 2019 is een tussenoplossing. Het wetsvoorstel hierover is nog in behandeling bij de Tweede Kamer. Zoals het er nu naar uitziet, gaat het abonnementstarief naar €19,00 per maand en kan het abonnementstarief ook gaan gelden voor sommige algemene Wmo-voorzieningen.

6. Hoe vraag ik Wmo-ondersteuning aan?

Wie in aanmerking denkt te komen voor steun vanuit de Wmo kan zich melden bij de eigen gemeente. Het Wmo-loket is hiervoor de meest geschikte plek. De gemeente moet vervolgens binnen zes weken na de melding een onderzoek doen naar de persoonlijke situatie van de aanvrager. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt of hij of zij ondersteuning krijgt vanuit de Wmo. Bij het onderzoek bekijkt de gemeente onder andere wat men zelf nog kan en of mensen uit de omgeving eventueel kunnen helpen. Voor het onderzoek kan men zich gratis laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Wie de cliëntondersteuning biedt, verschilt per gemeente. Het is daarom verstandig dit na te vragen bij de gemeente. In spoedgevallen is er geen tijd voor onderzoek en moet de gemeente binnen 24 tot 48 uur hulp bieden.

7. Waar kan ik terecht met klachten en bezwaren?

Als men het niet eens is met de beslissing die de gemeente heeft genomen, kan men binnen zes weken een bezwaar indienen bij diezelfde  gemeente. Voor wie het ook niet eens is met het antwoord van de gemeente, is een gang naar de rechter een mogelijke volgende optie. Wie ontevreden is over de reactie van de gemeente op een ingediende klacht, kan zich richten tot de Nationale Ombudsman.

8. Waar kan ik meer informatie vinden over de Wmo?

Dat kan via de volgende bronnen: