Met stille trom met pensioen

De meeste ouderen die in coronatijd met pensioen zijn gegaan, vertrokken noodgedwongen met stille trom. Géén feestelijk afscheid van hun collega’s, waar ze zich zo op hadden verheugd. Géén natuurlijke overgang naar een ander, nieuw leven. Dat doet veel met ze, blijkt uit de ervaringen van drie kersverse pensionado’s. Lees hieronder de verhalen van Dries Doornewaard (62), Hamdy El Arif (66), en Peter Burbach (66).

Timmerman Dries Doornewaard (62)

‘In de bouw doe je alles samen, samen afscheid nemen, hoort daarbij’

In de gloednieuwe Zwolse wijk Stadshagen wonen in sommige straten al mensen, in andere straten verplaatsen shovels grond en wordt nog druk gebouwd. Timmerman Dries Doornewaard (62) is sinds 12 juni gepensioneerd. ‘Dit is de laatste plek waar ik werkte’, vertelt hij. ‘Tja, 47 dienstjaren liggen achter me. Het ouwe-jongens-krentenbrood-sfeertje ga ik missen!’

Hij had dan ook graag met zijn collega’s een feestje ter afscheid gevierd. ‘Dat is toch een markering van een periode die eindigt’, zegt Dries. ‘Ik hoopte dat het door versoepeling van de maatregelen toch door kon doorgaan. De directiesecretaresse hielp me meteen uit de droom. Misschien in september, misschien nog wel later. Jammer, want nú is het moment.  Een andere oplossing zou zijn dat ik met mijn vrouw iets speciaals ga doen. Maar van haar neem ik gelukkig geen afscheid. Het gaat om de collega’s. De bouw is bij uitstek een bedrijfstak waarin je dingen samen doet, samen afscheid nemen, hoort daarbij.’

Vandaag is hij even met zichtbaar plezier terug bij zijn collega’s met wie hij kortgeleden nog op de steiger stond. Van diverse kanten wordt geroepen. ‘Jij bent hier alleen welkom als je wat lekkers bij je hebt.’ Dries moet lachen en dient hen gevat van repliek. Er wordt plagerig geclaxonneerd. Met een grijns roept een truckbestuurder dat hij straks terugkomt voor het beloofde lekkers.’

Dries blikt terug op zijn lange carrière. ‘In mijn beginjaren was er nog geen arbo-wet. Nooit was iets te zwaar. Als jongste was je vaak de klos. Cementzakken van vijftig kilo, daar sjouwden we mee. Als ik aan sommige bouwprojecten van vroeger terugdenk, voel ik nog pijn. Helm? Gehoorbescherming? Het belang was nog niet doorgedrongen én het was niet stoer. Daar wordt nu op gelet. Het motto van nu is terecht: je werkt veilig of helemaal niet. Ik ben niet altijd zuinig geweest op mijn lichaam. Zoals meer oudere collega’s heb ik PHPD: Pijntje Hier, Pijntje Daar. Aan één kant heb ik een heupprothese. Ook andere gewrichten vertonen slijtage. Gelukkig zijn er nu hulpmiddelen voor het zware werk. In de bouw zeggen we: “Alles wat op oliedruk kan, doe je niet op bloeddruk.” Jongeren die straks afzwaaien, hebben geen PHPD.’

‘Ik hoop voor hen wel dat er tegen die tijd een afscheidsfeest is. Dat is er voor mij niet van gekomen. Maar wat in het vat zit, verzuurt niet. Hoop ik maar. En voor mij geen zwart gat hoor. Ik doe genoeg vrijwilligerswerk.’

Dries Doornewaard

Trambestuurder Hamdy El Arif (66)

‘Normaal is er gebak aan het eindpunt van de lijn’

Hamdy El Arif (66) kwam 48 jaar geleden uit Egypte naar Nederland om het leger te ontvluchten. Hier ging hij werken als trambestuurder in Amsterdam. 24 jaar lang reed hij op lijn 17. In maart ging hij in stilte met pensioen.

Bij de remise, waar hij vandaag – vanzelfsprekend met de tram – naartoe is gekomen, klinkt het kenmerkende getingel van trams die komen en gaan. Het gesprek wordt regelmatig onderbroken door oud-collega’s die langslopen en vragen hoe het gaat. Hij was geliefd, zo veel is wel duidelijk.

‘Nu ik met pensioen ben, mis ik mijn collega’s’, zegt hij. ‘Maar ook de passagiers. Als je zo lang trambestuurder bent, ken je de vaste klanten. Je weet van privédingen. Soms help je iemand met een zware boodschappentas. Af en toe krijg je wat geld voor de koffie. Dat soort kleine dingen.’

‘Maar afscheid nemen kon niet door corona. Sommige collega’s weten niet eens dat ik niet meer werk. Als ik toevallig iemand op straat zie, vragen ze of ik ziek ben. Normaal als iemand met pensioen gaat, is er gebak aan het eindpunt van de lijn. Collega’s komen er speciaal voor terug, superleuk is dat! Van mijn chef heb ik wel begrepen dat er een bedrag is voor een afscheid. Ik hoop dat het er nog van komt. Ik zou daarvan met familie uit eten gaan. Wie weet als corona voorbij is.’

Hoe kijkt hij terug op zijn loopbaan? Hij vertelt dat het bedrijf door de jaren heen is veranderd. ‘Veel meer bureaucratie. Vroeger waren leidinggevenden mensen van binnenuit de organisatie. Jij kende hen en zij jou. Mensen met gevoel voor de collega’s op de tram. Okay, regels werden niet altijd nageleefd. Er werd wel eens gevoetbald aan het eind van de lijn. Vroeger wist niemand wat er op straat gebeurde, nu weten ze tot op de meter waar je rijdt, elke seconde wordt geregistreerd via gps. Maar eerlijk is eerlijk, er moest er wel iets veranderen. Nu zijn de meeste chefs mensen van buiten. Het bedrijf wordt strak geleid.’

‘Ook op een ander vlak is er iets veranderd in al die jaren. Vroeger zei iedereen gedag. Het zijn vooral jongeren die dat tegenwoordig minder doen. Soms zijn er mensen die op deuren slaan als die niet vlug genoeg opengaan. Of er wordt gediscrimineerd. Dat voelt naar. Daar zei ik wel wat van, maar nooit op boze toon, daarmee voorkom je agressie.’

Hamdy El Arif

Hoogleraar Peter Burbach (66)

‘Afscheid via de laptop’

Peter Burbach moet even nadenken over zijn leeftijd. ‘65 jaar, nee 66, nee, toch 65. Ik word 66.’ Peter is professor, maar ondanks deze kortstondige twijfel geen verstrooide. In een collegezaal die al maanden buiten gebruik is wegens corona, vertelt hij over zijn afscheid als hoogleraar moleculaire neurowetenschappen aan het UMC in Utrecht.

Graag zou Peter nog even doorwerken, ideeën genoeg, maar het pensioenreglement beslist anders. ‘Het coronavirus heeft afscheid nemen versneld. Vanuit huis werken, was noodgedwongen al een stap van verwijdering. Op 1 mei was het zover. Als hoofd van de hersenafdeling heb ik vanachter de laptop tachtig mensen toegesproken, met twee flessen champagne voor de camera als symbool dat de een komt en de ander gaat. Dat had ik me heel anders voorgesteld.’

Peter kan bevlogen vertellen over zijn vak. Hij studeerde in 1977 af als promovendus in scheikunde. Biochemie was zijn hoofdvak. In 1993 werd hij hoogleraar, in 2000 directeur van de afdeling Translational Neuroscience. ‘Er is zo veel veranderd binnen ons vakgebied. Vroeger kon je op moleculair biochemisch gebied weinig. Dankzij technologische ontwikkelingen is het veld booming geworden.’

‘Ik ben nooit stil blijven staan bij één onderwerp. Als ik iets weet, wil ik meteen naar de volgende stap. Als wetenschapper heb ik altijd willen weten wat belangrijke processen zijn die je nodig hebt voor het leven. Een ziekte, welke dan ook, is voor mij niet direct interessant, het is wél een ingang om ideeën te krijgen. Een arts wil genezen. Ik werk vanuit de andere kant. Soms raakt in een mens een proces verstoord en word je ziek. Die verstoring vind ik interessant, die kan mij vertellen hoe dat proces werkt. Zo werken arts en onderzoeker naar elkaar toe.’

‘Ik zal de sfeer waar nieuwe dingen gebeuren missen. De contacten met de mensen op het lab, het enthousiasme van promovendi die als een spons willen leren, net als ik vroeger.’ Peter gaat op de foto in een collegezaal. De plek waar hij als student kennis vergaarde. De plek waar hij die doorgaf aan nieuwe generaties. Hij heeft een bijzondere tas vast, die al veertig jaar meegaat. Ooit gekregen op een congres en in leer speciaal voor hem nagemaakt toen hij stukging. ‘Zonder deze tas was ik nooit zo ver gekomen. Want als ik een grotere had gehad, was ik ondergesneeuwd geraakt door ruis en troep.’

Peter Burbach