Herinneringen aan de bevrijding: Hongerwinter

Ik sta voor het raam op de eerste verdieping van het grote singelhuis. Alleen deze kamer bewonen we nu, het blikken noodkacheltje staat op de oude kolenkachel. Op de vriesruit ontstaan gaatjes in de ijslaag als je erop blaast. Ik zie kinderen schaatsen op de singel. Wat zou ik graag ook gaan, maar ik durf niet. Gisteren zijn mijn lange vlechten afgeknipt, in opdracht van de gemeentelijke gezondheidsdienst: ik zat onder de luizen. Dat gekke haar, ik schaam me dood!

Mijn broer Paul van zestien komt binnen. Hij zegt: “Ik ben boven bij mama geweest, Anneke, we gaan proberen je onder te brengen bij een boerderij, waar je goed te eten krijgt, de komende maanden wordt het hier niks.” “Zeg, ben je gek geworden? Vindt mama dat goed?” en ik ren naar boven. Mama heeft dysenterie en ligt op bed. Ze is wit en mager. “Het is maar voor korte tijd, lieverd”, zegt ze, “je zult zien dat binnen een paar maanden de oorlog is afgelopen.”

Ik pak een tas in; ik ben dol op lezen. Achter op de fiets met houten banden komen we in Zoeterwoude. Paul klopt op de groene achterdeur. “Wat wil je?” De boeren zijn het gebedel van de stedelingen beu. “Mag mijn zusje bij u komen wonen? Thuis hebben we te weinig eten, ze kan u met van alles helpen.” Vorsend word ik van top tot teen opgenomen, ik zou het liefst door de grond zakken. “Kun je overalls verstellen?” “Kun je dat?”, vraagt Paul mij. Ik zeg nadrukkelijk nee, op de Meisjes-HBS hadden we wel handwerken, maar leerden we alleen borduren.

We trekken verder, van boerderij tot boerderij. Overal word ik gewogen en te licht bevonden, letterlijk en figuurlijk. “Wat kun je eigenlijk wel?”, vraagt Paul weifelend. “Wiskunde, daar ben ik goed in.”

Op de volgende boerderij brengt hij naar voren dat ik met rekenen en boekhouden kan helpen. De boerin zegt tegen haar man: “Dan kan ze Koos met zijn middenstandsdiploma helpen, hij is al twee keer gezakt.” En tegen mij: ”De stal aanvegen en de rest zal ik je wel leren.” Ik ril van angst. “Moet het echt Paul?” Ja Anneke, je moet maar denken: arbeid adelt.” En zo bleef ik achter, Paul vertrok.

Het werken op de boerderij vond ik wel prettig. Het was lekker warm bij de koeien. Eén met een witte vlek tussen haar ogen werd mijn vriendin. ’s Avonds, als het boerengezin in de huiskamer zat, sloeg ik mijn arm om haar hals en huilde van eenzaamheid. Mijn wang legde ik tegen haar huid en nog weet ik precies hoe dat voelde: een beetje vettig met stugge haartjes. Meisjes van dertien…

door Anneke Cornelissens-Goddijn

Meer verhalen lezen? Kijk op www.kbo-pcob.nl/bevrijding