Midas Dekkers Onder de bar geboren

Onder de bar geboren

Midas Dekkers, ‘onder de bar geboren’, haalt met zichtbaar plezier herinneringen op aan de obers die in het café van zijn ouders werkten. Officieel waren het er drie, maar er zat er altijd wel één in de Jellinek-kliniek om van de drank af te komen.

Hij weet precies waarom zo veel mensen de drank niet kunnen laten staan. Troost. We hebben nu eenmaal allemaal behoefte aan troost. Zeker in deze moderne tijd, zegt Dekkers.

‘We leven in een buitengewoon hardvochtige, troosteloze periode van de geschiedenis, kijk maar om je heen. Als je nagaat wat we allemaal moeten doorstaan – al die prikkels, dat gáát maar door – lijkt het me alleen maar logisch dat je een of twee uurtjes per dag probeert om die wereld wat te temperen.’

Midas met borrel

Vroeger had je in iedere straat tien cafés en één apotheek en nu heb je wel tien apotheken, omdat er doorgaans nog maar één caféetje is. Het leven is gewoon te zwaar voor een mens.’

Midas met Arie

Nog voor je hem de vraag kunt stellen in hoeverre dit dan ook voor hem geldt, heeft de bioloog de sprong al gemaakt naar het dierenrijk en vertelt hij over olifanten en vlinders, die zich tegoed doen aan de gegiste vruchten – ‘overrijpe vruchten zitten boordevol suiker dat bij gebrek aan zuurstof gaat gisten, zodat er in plaats van koolzuur alcohol wordt gemaakt’ – en verklaart in één adem door hoe het komt dat ze er niet verslaafd aan raken: die vruchten zijn er maar een beperkte tijd van het jaar.’

Maar zoekt een dier dan werkelijk troost?

 

‘Me dunkt. Het leven in de natuur is een verschrikking, de hel! Als je echt van dieren houdt, moet je ogenblikkelijk alle bossen in de brand steken en ervoor zorgen dat de hele fauna-wereld uitsterft. Kijk eens naar zo’n arm vogeltje in de tuin: voordat het ook maar één hapje uit de vetbol durft te nemen, heeft het al vijfentwintig keer om zich heen gekeken. Overal dreigt gevaar. Zo’n verschrikkelijk bestaan is alleen maar vol te houden als je af en toe een anti-gif, een verdovend middel, kunt gebruiken. Dat is het principe van de natuurlijke selectie. Kortom: wie bijtijds zijn toevlucht tot de verdovende middelen zoekt, overleeft. Dat is bij ons natuurlijk niet anders.’

Oké, nú dan: wanneer dronk hij zijn eerste borreltje?

‘Ach, mensenkinderen… Toen ik twaalf was, misschien? Ik was het zoontje van de kastelein, kon een aardig potje dobbelen, dus het ging al snel van: geef dat jong ook wat te drinken van me! Als ik hasj had gerookt, zou mijn vader me hebben doodgeslagen, maar een borreltje? Geen probleem.

Zou hij eigenlijk zonder kunnen?

‘O, zeker. Ik zit al mijn leven lang te wennen aan het idee dat een arts me op een dag gaat vertellen dat ik niet meer mag drinken. Waarom niet, dokter? Omdat uw alvleesklier naar de donder gaat, meneer Dekkers. En dan bent u overmorgen dood. Aan u de keus. Goed. Dan stop ik. Dat is namelijk een goede reden.’

Midas in het cafe

‘Ik zit mijn leven lang al te wennen aan het idee dat ik op een dag niet meer mag drinken’

Doet u mee aan de 40-dagen-geen druppel-actie van de KBO-PCOB?

‘Geen haar op mijn hoofd die daaraan denkt! Wat een flauwekul zeg. Minder drinken is net zoiets als diëten; het is een poging om van je schuldgevoel af te komen. “Wat ik doe, is fout. Mag niet.” En als je vervolgens tóch weer in de fout gaat, voel je jezelf alleen nog maar schuldiger. Begin er niet aan!’