Maarten Spanjer Godenzonen

Maarten Spanjer

Godenzonen

‘Dit boek komt uit jongensland. Het gaat over het gevoel van nieuwe leren voetbalschoenen –tweedehandsjes – die ik naast me op mijn kussen zette. De lol van het samen spelen, vroeger op straat en later op het veld. En van het geluksgevoel toen ik Johan Cruijff voor het eerst zag spelen.’

Het boek dat Maarten Spanjer schreef – Toen godenzonen niet bestonden – is een eerbetoon aan een voorbije tijd. Spanjer kijkt graag terug, maar niet als betweter.

Straatschoffie

Hij is zo’n man tegen wie je zegt dat-ie niks veranderd is: er zit nog altijd iets van een straatschoffie in hem, dat zich graag afzet tegen gezag. ‘Als ik in de spiegel kijk zie ik dat er best wat verandert’, zegt hij met een grijns.

‘Maar het klopt wat je zegt. Ik trap nooit naar beneden, terwijl ik heel opstandig kan worden van bijvoorbeeld bobo’s in een skybox die niets van voetbal weten. Of van Connie Palmen die laatdunkend doet over boeken die volgens haar geen literatuur zijn.’

Peinzend: ‘Ik ben nooit een vaderfiguur geworden, meer een broer. Een oudere broer, inmiddels.’

Boek

Zijn boek Toen godenzonen niet bestonden staat vol voetbalherinneringen. Hoe hij door een oom, die gek was van Ajax, voor het eerst werd meegenomen naar stadion De Meer, als een inwijding in de wereld van mannen.

Hoe hij later stiekem het stadion binnen wist te komen zonder te betalen of hoe hij, weer later, met René van der Gijp en Wim Suurbier de stad op stelten zette.

Voetballers waren arbeiders

Er is een hoop veranderd sindsdien, suggereert ook de titel van het boek, met op de kaft de beroemde foto van Paul Huf van Ajax-spelers Johan Cruijff, Piet Keizer, Sjaak Swart en Klaas Nuninga.

‘Voetballers kwamen destijds niet alleen uit je eigen stad, maar uit je eigen wijk. Amsterdam had drie of vier grote clubs en als Ajax won, dan hadden ‘wij’ echt gewonnen. Voetballers waren arbeiders, ze hadden er een sigarenzaakje naast of ze woonden, zoals Piet Keizer, nog bij hun moeder – dat viel me wel een beetje tegen van hem, want ik bewonderde hem zeer.’

‘Voetballers waren arbeiders: ze hadden er een sigarenzaakje naast’

Veranderend spel

Later gingen geld en sponsoring een grotere rol spelen. ‘Toen werden het zogenaamde godenzonen met reclame op hun shirt en ieder drie snelle sportwagens. En het spel veranderde. Vroeger kon je ermee wegkomen als je tenger was of wat te dik, nu zijn het allemaal atleten.

Lionel Messi is een uitzondering. Hij is eigenlijk te klein voor het spel, maar gelukkig heeft Barcelona hem destijds opgenomen en de pillen betaald om zijn groeiachterstand wat in te lopen.’

Willem, nach voren!

Spanjer is niet bitter over de veranderingen. ‘De mensen die Abe Lenstra voor het eerst zagen, een generatie voor mij, hebben waarschijnlijk net zo’n plezier gehad als de mensen die nu jong zijn en het voetbal leren kennen. Ik wil niet doen alsof alles vroeger beter was, maar ik wil wel vertellen waar ik van heb genoten. En dan vertel ik over een tijd waarin voetballers dichter bij de mensen stonden en de humor rauwer was.

Dat Ernst Happel met zijn Duitse accent naar Willem van Hanegem riep: “Willem, nach voren!” En het hele stadion hoorde dat hij terugriep, op z’n Utregs: “Je Vaoder heb flaapore!”’

Geiten

‘Zelf heb ik tot mijn 45ste gespeeld en in de kleedkamers werd altijd gegeit met elkaar. We hadden nog geen oortjes met muziek in en flapten er van alles uit. Ik heb het idee dat we in de hele samenleving nu voorzichtiger zijn en meer op onze woorden letten. Racisme is bijvoorbeeld een gevoelig thema. Dat snap ik wel, maar het is echt iets van de tribune. In een team word je afgerekend op je spel, niet op je kleur.’

Voetbalkarakters

Hij vertelt met smaak over uitgesproken voetbalkarakters. De monumentale uitspraken van Rinus Michels (die Spanjer geweldig kan imiteren) en de streken van Wim Suurbier, die na een woeste nacht stappen ’s ochtends vroeg al bleek te zijn verdwenen, met zijn mooiste Armanipak. ‘Ik heb effe je pak geleend’, schreef hij op een briefje.

Terugkijken een genoegen

Zo wordt terugkijken op je leven en belevenissen een genoegen. ‘Ik ben dit boek gaan schrijven toen corona begon’, vertelt hij. ‘En er is nog een boek in de maak, met verhalen over mensen als jij en ik. We leven nog, gaat het heten.’

Over ander werk, zoals kijkcijferhit Taxi, is hij relativerender. ‘Ik heb wel heel hard gewerkt toen’, zegt hij. ‘Maar het was in de kern iets wat ik mijn hele leven al doe. Mijn opvolger Michiel Romeyn kreeg in de taxi geregeld ruzie.

“Jij hebt een hoofd waar mensen graag een vuist op zetten”, zei ik tegen hem. Ik heb blijkbaar iets waardoor mensen graag tegen me vertellen, een open gezicht. En ik ben ook echt nieuwsgierig. Ik denk dat iedereen een verhaal met zich meedraagt.’

Meer artikelen lezen? Neem dan nu een abonnement op het Magazine van KBO-PCOB.