Kunstenares Ans Markus ‘Wanneer is het goed genoeg?’

Op de zolder van haar pakhuis uit 1629 is kunstenares Ans Markus in haar element tussen haar bronzen koppen, tekeningen en schilderijen. ‘Hoe moet ik het uitleggen?  Zonder mijn werk voel ik me gewoon incompleet. Ik ben wie ik ben door wat ik heb gemaakt.’

Alles is dan ook gelukkig veilig teruggekeerd van een logeerpartij bij Museum Jan van der Togt in Amstelveen. Voor een expositie ter ere van haar zeventigste verjaardag. ‘Een mooie gelegenheid om te laten zien hoe vitaal ouderen nog kunnen zijn’, zegt ze. Maar het is ook een terugblik op een carrière die begon op de dag waarop ze haar tien jaar oudere broer Tom zag tekenen. Dát wilde ze ook. Natekenen. Heel nauwkeurig. ‘Als je naar die eerste tekeningen kijkt, zie je een soort blauwdruk van mijn werk.’

‘Exposeren is heerlijk’

Door te tekenen, te schilderen of te boetseren krijgt ze vat op de dingen die in haar leven gebeuren. En als het af is, als het verwerkt is, ja, dán mag iedereen het zien. ‘Het werk dus. Niet mij. Als persoon blijf ik het liefst buiten beeld. Ik vind het heerlijk om te exposeren, al zie ik ook op tegen het moment waarop zo’n project is afgelopen, omdat ik dan toch weer in een gat terechtkom. Oké, dit is af. Wat nu? Hoe ga ik nu laten zien wat ik kan? Hoe moet ik dit keer bewijzen dat ik de moeite waard ben? Ja, ik kan erg zwaar op de hand zijn, al is dat gevoel minder sterk geworden. Ik weet inmiddels heel goed wat ik al heb en ik weet wat ik nog wil.’

Sigrid, de dochter uit haar eerste huwelijk, haar bondgenote, haar lotgenote, het model voor tientallen schilderijen. Wybe, de ondernemer en kunstverzamelaar die zichzelf ‘schildersknecht’ noemt en haar ervan wist te overtuigen dat ze iemand was van wie je voor eeuwig en altijd hartstochtelijk veel kan houden. De onvergetelijke herinneringen aan haar vader, haar broer en haar moeder…

Moeder Sientje

Even terug naar Halfweg, naar de jaren vijftig van de vorige eeuw, waar Sientje Markus-Vermeer niet alleen haar eigen huis, maar ook de huizen van haar buren schoonmaakte om ervoor te zorgen dat Tom en Ans een goede opleiding konden volgen. En daarna door naar Geertruidenberg waar, met de vroege dood van vader Markus, een gat in het gezin werd geslagen; een verlies waar haar moeder zich op een of andere manier jarenlang in vast zou bijten.

‘Ik heb altijd veel bewondering en waardering voor mijn moeder gehad, maar haar kracht heeft ook voor een zekere afstand gezorgd. Hoe doe ik het goed? Wanneer is het goed genoeg? Het is een rare paradox: terwijl de gezondheid van mijn moeder achteruitging, werd onze band steeds hechter. Een deel van haar pantser brak af: ik mocht haar hand vasthouden, haar haren krullen, haar af en toe even knuffelen. Toen ze op haar 92ste niet ver bij ons vandaan in een bejaardenhuis kwam wonen, zag ik haar letterlijk iedere dag.’

Moeilijke laatste maanden

Het liefst stopt ze daar, waar haar moeder nog niet zo in de war is. ‘Die laatste maanden waren moeilijk, soms vooral erg pijnlijk. Op het laatst werd ze ernstig ziek en herkende ze me ook niet meer. Waarom moest ze zo lijden? Veertien dagen duurde die strijd. De doktoren konden niet ingrijpen want er stond niets op papier. Het maakte me zo wanhopig; dat iemand met zo’n lang, goed leven op die manier aan haar einde moest komen. Op de laatste dag keek ze me aan en zei, letterlijk: ‘Dit zou Ans nooit hebben laten gebeuren.’ Die blik. Echt verschrikkelijk. Ik kan daar wéér verdrietig om worden, weet je dat?’

“Het is een rare paradox: terwijl de gezondheid van mijn moeder achteruitging, werd onze band steeds hechter. Een deel van haar pantser brak af: ik mocht haar hand vasthouden, haar haren krullen, haar af en toe even knuffelen.”

Koningin van de bovenwereld

Wat ze nog wil? Vasthouden aan de gedachte hoe mooi die laatste jaren met haar moeder zijn geweest. En doorgaan met schilderen, natuurlijk. Ze is nu bezig met Inanna, de koningin van de bovenwereld en Ereshgikal, haar tweelingzuster die in de onderwereld woont. ‘Of het helemaal klopt wat ik je nu ga vertellen, weet ik niet, maar Inanna wil Ereshgikal bezoeken en moet daarvoor door zeven poorten gaan. Bij iedere poort moet ze iets afleggen. Alle menselijke onhebbelijkheden raakt ze gaandeweg kwijt.’

En zo komt ze dan, als ze onder de laatste poort is doorgelopen, bij haar tweelingzusje uit. Maar wie is zij eigenlijk, dat zusje? Is ze niet gewoon de zuivere versie van jezelf? Haar ware ik? Eindig je, met andere woorden, niet bij het begin?’ Bij Antje Geertje Markus?

Betrapte blik. ‘Wie weet?’ Ze schuift het schaaltje naar voren en zegt: ‘Neem nog een stukje chocola.’ Zelf hoeft ze niets. Later, misschien.

Lees het hele artikel in het Magazine van KBO-PCOB. Geen lid? Neem dan nu abonnement op het Magazine!