Tweede Wereldoorlog Iedere dag komt de oorlog voorbij

“Bijna iedere dag hoor ik wel iets over de Tweede Wereldoorlog. Soms een flard, soms een heel verhaal.” Jacomette de Blois is geestelijk verzorger en predikant in een verpleeghuis. Ze werkt vooral met mensen met dementie en hun familie. Meer dan twintig jaar luisterde Jacomette naar verhalen van ouderen over de oorlog. Ze legde ze vast in het boek Iedere dag komt het voorbij.

Jacomette1
“Mensen van de tweede, derde en vierde generatie hebben de oorlog ook in hun rugzak. Het trekt een spoor, vergeet niet hoe sterk zo’n familieverhaal is.”

Haar boek is meer dan een verzameling verhalen. Zo schrijft ze: “Misschien raakt het mij het meest als mensen onverschillig aan deze oorlog voorbijgaan. Deze als voltooid verleden tijd wegzetten en vervolgens met open ogen in onze tijd in diezelfde vallen trappen.”

Oorlog blijft leven

De herinneringen aan de oorlog zijn vaak erg helder en aanwezig. Toch is er volgens Jacomette weinig aandacht voor. “We doen het af: over een paar jaar is er niemand meer van deze generatie. Maar het gaat door, in volgende generaties en in mensen die nieuwe oorlogen meemaken. Mensen van de tweede, derde en vierde generatie hebben de oorlog ook in hun rugzak. Het trekt een spoor, vergeet niet hoe sterk zo’n familieverhaal is. Er is hier bijvoorbeeld een dementerende mevrouw die veel last heeft van nare kampherinneringen. Aan haar dochter heeft ze er nooit iets over verteld. Die dochter is nu overstuur en zit vol vragen. Waarom hebben mijn ouders nooit kunnen praten? Waarom heb ik nooit doorgevraagd?”

‘Nu gaan we eraan’

Mevrouw Tak zegt: ‘Hé, het is vandaag 10 mei.’ Ogenblikkelijk roept meneer Jolink: ‘En net zulk mooi weer als toen de oorlog uitbrak.’ ‘Inderdaad’, beaamt mevrouw Mos, ‘mijn moeder deed rijexamen op die dag. Ze slaagde wel, maar heeft nooit meer gereden.’ Meneer Vogel voegt zijn 10 mei-verhaal toe: ‘Mijn vader stond buiten. Ik was vier en hield de hand van mijn vader goed vast. Ik zie hem nog kijken naar de lucht en luisteren naar de motoren van de vliegtuigen. Hij zei tegen de buurman: “Nu gaan we eraan.” Het is mijn eerste herinnering.’ Mevrouw Touw vertelt wat zij zag, op die tiende mei en ondertitelt haar herinneringen met beeldende woorden. ‘Ik woonde in Kinderdijk. De Duitse vliegtuigen kwamen zo laag over dat het leek of ze onder de molenwieken door vlogen. Het was vreemd, nog niet angstig. Dat kwam nog.’

‘Elk klein stukje twintig keer kauwen’

‘Ik zie ons, twaalf kinderen, nog bij mijn opa aan tafel zitten in de oorlog’, vertelt mevrouw Meertens. ‘Opa zei: “Als je langzaam eet en goed kauwt, zitten we toch net zo lang aan tafel als toen we meer eten hadden!”’ Meneer De Boer valt haar bij. ‘Hé, dat heb ik meer gehoord.  Mijn vader zat in een concentratiekamp en vertelde ons later dat ze één stuk zuur brood te eten kregen voor de hele dag. De gevangenen spraken af met elkaar dat ze elk klein stukje tien of twintig keer kauwden. ‘Fletsjeren’ noemden ze dat.’

Alles kan een trigger zijn

Oorlogservaringen blijven volgens Jacomette in het hele leven een bepalende rol spelen. ‘Als mensen ouder worden, wordt de schil dunner. Dan liggen die verhalen aan de oppervlakte en hoeft er weinig te gebeuren om zo’n verhaal los te maken. Vraag ouderen naar herinneringen aan het kerstfeest en er komen verhalen over de oorlog. In een gewoon gesprek kan de toon die iemand aanslaat al genoeg zijn om een nare ervaring uit die tijd op te roepen. Het geluid van naaldhakken kan iemand bij soldatenlaarzen brengen. Een datum, een verhuizing, bepaalde muziek of kleding; alles kan een trigger zijn om over de oorlog te gaan vertellen. Dat geldt ook voor eten. Zo zegt een vrouw hier steeds schijnbaar uit het niets: “Nou, en als er geen eten meer is, dan is er altijd nog de gaarkeuken.” En over haar vader: “Dat had je gedacht dat hij terugkwam. Mooi niet.” De setting van een zorgcentrum of ziekenhuis kan bedreigend zijn voor mensen die in een kamp zaten. Ook hier gaat de deur dicht en worden de regels voor je bepaald. Dat kan veel oproepen.’

Dit nooit meer

Jacomette ziet hoe mensen hoop putten uit het geloof en daar een anker vinden. Ook komt ze mensen tegen bij wie het geloof een vraagteken is geworden. ‘Na de oorlog zeiden we: “Dit nooit meer.” Maar dit is blijkbaar onze wereld. Dan denk ik aan alle andere oorlogen op allerlei plekken in de wereld en de mensen die daardoor weer getraumatiseerd raken. Ook zij dragen de oorlog een leven lang mee en ook de generaties na hen. Ik denk dan: wanneer leren we de oorlog af? De overlevers die hun verhalen hebben verteld, hebben een boodschap voor de wereld gehad. Ik ken een mevrouw die kan huilen over oorlogen nu, het gaat haar zo aan het hart. Werken met ouderen is een kostbaar goed, ze hebben ons zo veel te leren en te vertellen. Onze samenleving beseft niet half hoe hard wij ouderen nodig hebben.’

Oproep: deel uw herinneringen aan de bevrijding

In 2019 herdenken we dat 75 jaar geleden de bevrijding begon van Zuid-Nederland. Voor een speciaal artikel zoeken we verhalen en foto’s hierover. Wilt u hieraan meewerken? Stuur uw herinnering dan naar magazine@kbo-pcob.nl of Magazine van KBO-PCOB, Europalaan 40, 3526 KS Utrecht.

Gevangenen aan de arbeid in het kamp Vught: een van de illustraties uit het 8ste deel van dr. L. de Jongs boekenserie over ons land tijdens de oorlog. 21-03-1943.

Jochie van 17

Meneer Kort werd in 1944 als 17-jarige jongen opgepakt en vanuit Drenthe naar Kamp Vught gebracht. ‘Ik was alleen, moest vanaf de eerste minuut, met dat strepenpak aan, overleven in een hel. In Vught was de wreedheid vreselijk. De honger ook, maar de wreedheid erger, die vreet alles weg wat menselijk is. Vooral tegen de joden die daar gevangen zaten. Ik heb één keer een kapo aangesproken toen hij een oude man ongenadig sloeg, omdat hij moest doorlopen. Maar die oude man kon echt niet meer. Ik kon het niet aanzien. Ik had ter plekke doodgeschoten of doodgemarteld kunnen worden om mijn opmerking, dacht ik later. Maar deze kapo luisterde. Begrijpen doe ik dat nog niet, maar hij sloeg de oude man niet langer.’

Die lieve buren zie ik nog vaak voor me

Mevrouw Van Kampen woonde als kind naast een klein rusthuis voor joodse ouderen. ‘Op een dag, een klaarlichte dag, werden ze door de Duitsers uit hun huis gehaald. Ik was thuis en mijn broertje en zusje ook. Wij hoorden de herrie bij ons buurhuis, hard bonzen en bellen en wij zagen het gebeuren. Kort na het gebons en gebel kwamen onze buren al naar buiten. (…) Niemand van hen is teruggekomen. Die lieve buren, die met hun jas en koffer voor het laatst hun tuinpad af lopen en naar me zwaaien, zie ik nog vaak voor me. Mijn ouders hebben na die dag nooit meer over hen gesproken, tenminste niet met ons. Ook mijn broer en zus noemden nooit meer hun namen.’

Hitler hebben we gehad 

Dan begint het kerstspel, de Romein betreedt het toneel. Haar lichaamstaal spreekt voordat ze haar mond opendoet. Ze speelt overtuigend en heeft niet alleen een helm maar ook een barse, onverbiddelijke stem opgezet. ‘Iedereen moet zich inschrijven, iedereen moet geteld worden, hier, en nu ook in Bethlehem, vanwege keizer Augustus, bevel van de keizer.’

Ze is nog niet uitgesproken of mevrouw Van Westen roept: ‘Nou, nou, hou op, Hitler hebben we gehad, hoor.’ Ze staat handenwringend op en schudt haar hoofd. Ze kijkt donker en herhaalt haar woorden. ‘Hou op, Hitler hebben we gehad hoor. Alsjeblieft!’

De fragmenten in dit artikel komen uit Iedere dag komt het voorbij. In dit boek staan oorlogsherinneringen van ouderen. In een apart hoofdstuk staan tips voor het praten over deze ervaringen. Het is een boek voor gesprekken met ouderen, hun familie, zorgmedewerkers en geestelijk verzorgers.

Jacomette de Blois: Ieder dag komt het voorbij. Ouder worden met de oorlog. Uitgeverij Abdij van Berne, prijs €16,90, ISBN 978 90 8972 282 9

bombardement rotterdam 1

Meer lezen? Word dan abonnee van Magazine van KBO-PCOB!