'Verhalen helen mij' Een ontmoeting met Adriaan van Dis

Achter in de roman In het buitengebied van Adriaan van Dis staat een cryptische opmerking: ‘Niet alle verbeelding is autobiografisch.’ Maar toch zet de schrijver de werkelijkheid wel vaak om in verhalen. Dat deed hij als kind al. Over zijn vader bijvoorbeeld.

’Ik kom mijn vader bijna elke dag tegen. Laatst zag ik hem in een dierenwinkel, met een jongetje aan de hand. Het jongetje zei: ‘Papa, die papegaai praat.’ De man reageerde niet. Het jongetje probeerde het nog eens: ‘Papa, papa, de papegaai praat! Weer niks. Toen het zoontje voor een derde keer begon te roepen, stopte de vader hem met een snauw: ”Ik ben niet doof!” Dat ben ik, denk ik dan. Dat zijn wij. Het fantasierijke, drukke kind en zijn barse vader.

Inspiratiebron

Al die ijdeltuiterij, drie keer per week naar fitness, goed voor je lichaam zorgen: dat is iets wat ik in mijn verbeelding met hem deel. Maar wat weet ik werkelijk van mijn vader? Hoe goed heb ik hem gekend? Ik was pas tien jaar oud toen hij overleed. Zestig jaar geleden.

Je zou kunnen zeggen: ‘Laat die man nou eindelijk eens een keer los!’ Dat doe ik ook wel, maar hij is tegelijkertijd een inspiratiebron voor mij. Ik laat hem in allerlei verhalen opdraven, meet hem verschillende verschijningsvormen aan en leg hem de gekste dingen in de mond. Hij is sinds zijn dood ook veel aantrekkelijker geworden. Ik ben met een vrouw, maar ik heb een verhouding met mijn vader.

“Ik heb een burgerlijk leven nodig om onburgerlijke karakters op papier te zetten”

Prinsenkind

Ik hield altijd al van hem. Hij rook ook zo lekker… En ja, hij sloeg me vaak en hard, maar ik verzon dan dat ik eigenlijk een prinsenkind was, een kind van adel dat bij een gewoon gezin was ondergebracht, en dat ik zo streng gestraft moest worden omdat ik anders misschien wel naast mijn schoenen zou gaan lopen. Ik maakte overal verhalen van. Door de werkelijkheid om te zetten in verhalen kon ik het leven aan. Verhalen helen mij. Dat doen ze nog steeds.

Ach ja, het leven. Ik vind het nog altijd een heel gedoe om mezelf staande te houden. Het leven is een… nou ja, een hel is misschien wel een beetje overdreven, maar toch: ‘t is niet makkelijk. Ik werd als kleuter al naar de psychiater gestuurd. Tijdens de middelbare school ging ik nog eens, in mijn studietijd deed ik aan groepstherapie en later ben ik in analyse gegaan. Eigenlijk heb ik altijd mensen gezocht die tegen betaling richting konden geven aan mijn leven.

“Mijn vader is een inspiratiebron, ik laat hem in allerlei verhalen opdraven”

Burgerlijk leven

Ik hoop niet dat ik nu overkom als een zielige man. Ik ben niet zielig. Ik heb gewoon structuur nodig. Alleen zo kan ik goed functioneren. Vroeg opstaan, redelijk bijtijds naar bed. Ik drink graag, maar ik neem mezelf ook in acht. Dat is voor mij heel erg noodzakelijk. Niet gaan flierefluiten, geen bedwelmende middelen gebruiken en dan de nacht intrekken. Moet je niet doen. Ik heb het allemaal verkend hoor, maar ik weet: daar ligt mijn geluk niet. Dit klinkt misschien een beetje raar, maar ik heb een burgerlijk leven nodig om onburgerlijke karakters op papier te zetten.’